Blog 4 | Moesten we wat maken dan?

Het heeft even geduurd voor ik alle studenten had gezien. De BBL-klassen zijn opgesplitst in een A- en een B-klas, die om de week naar school komen. En daar kwam voor de eerstejaars studenten ook nog een VCA-cursus, een training om de veiligheid op de werkplek te vergroten, tussendoor.

De nieuwe lichting heb ik inmiddels aardig op de rit. We zijn gestart met burgerschap en voor Nederlands hebben we een begin gemaakt met zowel het boek als het online programma.
Bij de ouwe hap verloopt het allemaal nog wat minder soepel. De afgelopen weken ben ik vooral bezig geweest met het inventariseren van de voortgang. Om de beurt heb ik de studenten bij me geroepen voor een persoonlijk gesprekje en om te checken of ze hun eventueel voor de zomervakantie opgelopen achterstand inmiddels hebben kunnen wegwerken. Alle studenten hebben zowel voor burgerschap als voor Nederlands een kaart, waarop precies staat wat ze moeten doen en waarop ze de gemaakte opdrachten moeten aftekenen. Zo gepiept dus die controle, zou je zeggen…

‘O, sorry, mijn kaart ligt nog thuis.’

Oké, dan moeten we de controle dus op een andere manier aanpakken. Op mijn laptop kan ik de vorderingen in het online programma zien.

‘Je mist nog een paar opdrachten, zie ik.’

‘Ja, dat kan wel kloppen, maar die snapte ik niet.’

‘Dus?’

‘Nou ja, dan kan ik ze ook niet maken, toch? Ik kan er toch niks aan doen dat ik het niet snap.’

Ik wijs hem erop dat hij naar me toe had kunnen komen, me had kunnen appen, mailen of bellen. O ja, een berichtje in Teams was ook nog een mogelijkheid geweest.

‘Ja, dat had ik dan misschien wel kunnen doen.’

De volgende student komt gelukkig wel met zijn kaarten aanlopen. Alleen jammer dat er niks op afgetekend is.

‘Je hebt niks gedaan, begrijp ik?’

‘Ik heb alles gedaan wat ik moest doen,’ reageert de student verontwaardigd.

Weer een ander vertel ik welke opdrachten hij volgende week, op de dag dat hij thuis aan zijn schoolwerk zit, moet inhalen.

‘Dan kan ik niet. Mijn baas verplicht mij om dan te werken.’

Ik vertel de student dat de schooldag niet uitbetaald wordt en dat zijn baas hem dus ook niet kan verplichten om te werken.

‘O, wees maar niet bang hoor, mevrouw. Ik krijg er vet voor betaald.’

De laatste student met wie ik die dag een gesprekje heb, komt heel enthousiast naar me toe.

‘Mevrouw, ik heb eindelijk mijn burgerschap afgerond.’

Ik krijg spontaan de neiging om op tafel een vreugdedansje te maken, maar misschien toch beter dat ik blijf zitten. Ik bekijk zijn kaart en zie dat er nog een paar vakjes bijgetekend staan met daarin namen van opdrachten.

‘Ja, ik geloof dat ik er zelfs een paar te veel heb gemaakt, ’zegt de jongen wat teleurgesteld, omdat hij dat pas écht zonde vindt van zijn tijd.

Ik bekijk zijn extra gemaakte opdrachten.

‘Jij wil hierna niveau drie doen, toch?’

‘Ja,’ zegt hij aarzelend.

‘Mooi, dan kun je voor burgerschap alvast een paar opdrachten aftekenen.’

De jongen begint te glunderen.

 

‘Whow, straks word ik van uw slechtste leerling nog uw beste leerling.’

Hoe was het op school?

Door Ellen Wels, tekstschrijver en mbo-docent Nederlands